Milena Holdert (Nieuwsuur) en Ghassan Dahhan (Trouw) 

Van middelbare schoolvrienden tot een op elkaar ingespeeld onderzoeksduo. Milena Holdert (Nieuwsuur) en Ghassan Dahhan (Trouw) trotseerden als pubers al de schoolautoriteiten. Die houding verdween niet met de jaren; als journalisten maken ze het nu het ministerie van Buitenlandse Zaken bijzonder lastig. Ik spreek het duo over hun methode.

door INEKE BOERSMA

“We hebben nooit bij elkaar in de klas gezeten, onze vriendschap ontstond in de gang. Daar kwamen we elkaar tegen, omdat we allebei vaak de klas werden uitgestuurd”, vertelt Ghassan. Milena: “We accepteerden autoriteit en macht vroeger niet zomaar. En we zijn eigenlijk nog precies als vroeger. Het verschil is dat we nu kunnen opschrijven en uitzoeken wat die macht aan het doen is en waarom die macht zegt wat ze zegt. Zo kan ons ‘kattenkwaad’ van vroeger nu tot iets constructiefs leiden.”

De combinatie Nieuwsuur en Trouw ligt niet voor de hand, maar Nieuwsuur-hoofdredacteur Joost Oranje zag er wel iets in. Ook bij Trouw gaven ze groen licht voor de samenwerking, waarna het duo aan de zoektocht kon beginnen.

Nederland leverde in de voorbije jaren talloze pick-uptrucks, uniforms, laptops en andere goederen aan gewapende opstandelingen in Syrië. In verschillende uitzendingen en artikelen brachten Ghassan en Milena in kaart hoe de Nederlandse steun uit het staatsgeheime ‘NLA’-programma eruitzag. Daarnaast ontdekten ze dat deze goederen in Syrië een ander doel hadden dan wat door de regering was beloofd. En ze kwamen erachter welke beloftes, door het ministerie gedaan aan de Tweede Kamer, nog meer waren geschonden.

De eerste aanleiding voor dit dossier was pure nieuwsgierigheid. Ghassan studeerde krijgskunde en werkt op de buitenlandredactie, Milena had op de onderzoeksredactie verschillende verhalen rondom geldstromen gemaakt. “We hebben het als vrienden weleens over het NLA-programma gehad. De regering gaf aan dat de groepen die deze steun ontvingen aan drie criteria moesten voldoen. Ze moesten  zich houden aan het humanitair oorlogsrecht, mochten niet samenwerken met extremistische of radicale groeperingen in Syrië en moesten gecommitteerd zijn aan een democratisch Syrië. “Wij kennen bijna alle groeperingen in Syrië en we kennen niet één groep die voldoet aan die drie criteria”, zegt Ghassan. “Dat was het eerste wat we gek vonden. Wij vroegen ons af om welke groeperingen het dan ging.”

Het ministerie van Buitenlandse Zaken bracht later zelf in statistieken naar buiten dat het om zes miljoen euro aan voertuigen ging en 1,7 miljoen euro aan uniformen. Dit was volgens het duo de eerste keer dat er iets werd gespecificeerd. Ghassan: “Wij concludeerden dat het om duizenden uniformen moest gaan. Dat zijn er zo veel, dan moet het niet moeilijk zijn de groeperingen en de locatie te vinden waar die zijn terechtgekomen. Het mooie van onderzoek is dat de manier hoe je denkt dat je moet zoeken, vaak niet hoeft te werken. Zo bleken de uniformen vanwege kostenoverwegingen niet in Nederland, maar in Turkije gemaakt te worden. Dus zijn we anders gaan zoeken.”

Milena: “Het ging ons erom dat de regering zei dat het allemaal gematigde groepen waren, maar niet wilde zeggen welke groepen het dan waren. Ons hele doel was om één groepsnaam te ontdekken en om dan te zien wat die groep doet en wat ze ontvangen hebben.” Ze maakten een shortlist. Zo is van Amerika bekend welke 75 groeperingen ze steunden. Nederland ging vast niet zo ver als de Amerikanen, dus de groepen moesten eigenlijk wel bij die lijst zitten. Deze lijst werd teruggebracht tot ongeveer tien strijdgroepen toen er in januari 2018 een Kamerbrief kwam. Hierin stond dat de Nederlandse hulp aan een aantal Noord-Syrische groepen was gestopt, vanwege een aanval in Afrin. Toen wisten we dat Nederland steun gaf aan tenminste één groep die met die inval te maken had.”

Milena is iets directer dan haar partner. Zo legde zij het contact met de Syrische groeperingen. “Via Twitter en Facebook krijg je een beeld van groepjes mensen en wie zich daaromheen begeven. Je moet het contact opbouwen, mensen meerdere keren spreken. Ik, een blond meisje uit Nederland, zei dan dat ik meer wilde weten over Syrië. Dan legde ik uit dat er ook een collega bij was die Arabisch spreekt. Dat kwam op hen wel sympathiek over. Het duurt alleen even voordat je met een leider kunt spreken.” Na een tijdje komen ze in gesprek met de leider van de Sultan Murad Brigade. Ghassan: “We vroegen of hij ooit steun had ontvangen vanuit Nederland. Na een bevestiging wist hij te vertellen dat ze pick-uptrucks hadden ontvangen. Toen we vroegen naar de naam van een contactpersoon, kwam hij zelf met die van de Nederlandse ambassadeur. En hij noemde namen van Nederlandse medewerkers van Buitenlandse Zaken die hij niet uit openbare informatie kon kennen. Toen wisten we dat we beethadden.”

“Wij vonden het belangrijk om die informatie van hen te horen. We namen er alleen genoegen mee als een van de leiders het on the record kon bewijzen en bevestigen. We verifieerden altijd de identiteit en telefoonnummers. Ons onderzoek begon vlak na het stopzetten van het NLA-programma. Wij wisten daardoor dat de rebellenleiders in Syrië geen reden hadden om te zwijgen, maar ook niet om te liegen. We kregen van de rebellen meer informatie over het steunprogramma van Buitenlandse Zaken dan van het ministerie zelf.” Ghassan: “Die mannen worden beschuldigd van ernstige misdaden, maar het zijn heel aardige mensen als je ze aan de telefoon hebt. Vriendelijk, aardig en behulpzaam.” Het is een beeld dat congrueert met het beeld dat ze zien in de rapporten. “Wellicht dat het ministerie in Nederland daardoor is verblind”, aldus Milena.

Het tweetal heeft tijdens hun onderzoek veel gebruikgemaakt van openbare stukken. Milena: “Buitenlandse Zaken heeft ons geen informatie gegeven. Alles wordt staatsgeheim verklaard. Dus we moesten vechten voor elk snippertje informatie. Wij lieten ons niet intimideren, maar we werden ook niet activistisch. We wilden niet afwijken van ons plan. Dat we voor alle informatie hebben moeten vechten, zorgt er nu wel voor dat we alle feiten kunnen dromen. Medewerkers van het ministerie moeten continu nadenken over wat ze op welk moment hebben geschreven en gecommuniceerd. Wij weten alle details. Na onze eerste publicatie wilde het ministerie een gesprek met ons. In dat gesprek op de redactie zei iemand van de woordvoering dat ze het wel erg moeilijk vond om de goederen uit de beelden van het item te kunnen definiëren en onderscheiden. Toen zei ik: dat is nou het hele probleem. Dat jullie niet meer weten wat er is geleverd. En aan welke groepen. Maar wij weten dat wel.”

De WOB-documenten van het ministerie ontvingen ze pas weken nadat ze al hadden gepubliceerd. Ghassan: “Deze leverden de erkenning dat onze berichtgeving van A tot Z klopte. Er werd in bevestigd dat die goederen niet alleen maar dienden als civiele‘niet-dodelijke goederen’. Zo werden de pick-uptrucks bijvoorbeeld op de frontlinie en rond het slagveld gebruikt. De laptops hielpen bij de wapendistributie aan strijders en het lokaliseren van doelwitten. “Dat is natuurlijk alleen maar militair uit te leggen,” zegt Milena. “We wilden daarom graag kijken wat Nederland precies wist van die groepen. We hebben geconstateerd dat ze wel degelijk wisten van enkele misdaden die de groepen hadden begaan.” Ghassan: “Wij weten veel over de aard van die groeperingen op basis van openbare informatie. Maar de regering heeft daarnaast nog toegang tot geheim agenten, bronnen en interne rapportages. Ondanks die kennisvoorsprong gingen ze alsnog over tot levering van goederen aan deze groeperingen. Dit was in strijd met de beloften aan de Kamer.”

Het uitvoeren van dit onderzoek vergelijkt het duo met een vlucht. Ghassan: “Een vliegtuig moet opstijgen, het moet in de lucht worden gehouden en je moet vervolgens zien te landen. Je moet je hoofd er altijd goed bijhouden, vooral bij de landing, want dan gebeuren de meeste ongelukken.”

Hebben ze wel kunnen genieten van de uitkomsten? Milena: “Het is een voortdurende worsteling. Je bent niet bezig met de oogst, maar steeds weer met de volgende vlucht.” De twee droomden elke nacht over het onderzoek, het was geen leuke periode. “Hoe spannend ook, het was soms verschrikkelijk. Omdat we bijna niet konden geloven dat het waar was wat we aantroffen. Je denkt continu na over welke consequenties het heeft en waar die toe leiden. We konden ons geen fouten permitteren. Je mag het er ook met niemand over hebben; je loopt steeds met een geheim rond.”

Drie tips van Ghassan Dahhan en Milena Holdert:

* Een geheim hoeft nooit een geheim te blijven. Als je maar je best doet, kom je bijna overal achter.

* Wees nooit afhankelijk van overheidsinstanties. Off-the-recordgesprekken bij Buitenlandse Zaken sloegen we af. Precies zoals wij vroeger onze docenten niet vertrouwden, zo deden we dat nu bij andere partijen ook niet. We hadden geen verstandhouding met iemand binnen het ministerie. Dat hoeft ook helemaal niet. Negeer de macht en ga vooral zelf vissen.

* Kijk goed naar openbare documenten die de overheid beschikbaar stelt. Ze lijken vaak nietszeggend en zijn vaak omvangrijk, maar als je goed kijkt, ontdek je talloze aanwijzingen.